Selecteer een pagina

CONIFEREN 5 – FAMILIES

door apr 29, 2019BOMEN

Bos_gemengd

De Orde der Coniferen, ook wel ‘Orde der Pinales’, worden volgens de taxonomie onderverdeeld in zo’n zeven families, waaronder een aantal in Nederland voorkomende zoals: de Dennen familie (Pinaceae), de Ceder familie (Cedrus), de Cypres familie (Cupressaceae), de Sparren familie (Picaceae), en de Taxus familie (Taxaceae).

Voor alle families geldt dat de meeste boomsoorten die er toe behoren onder de juiste klimatologische omstandigheden zo’n 30 tot 40 meter hoog kunnen worden, en sommige na eeuwenlange groei zelfs de 50 meter kunnen behalen.

Genera
Andere afstammelingen die tot de Coniferen families als Orde der Pinales behoren zijn: Spar (Picea), Zilverspar (Abies), Hemlockspar: (Tsuga), Douglasspar (Pseudotsuga), Lariks (Larix), Pseudolarix (1 soort: de Japanse goudlarix Pseudolarix amabilis) en de Taxusfamilie (Taxaceae). Het dient te worden vermeld dat deze informatie grotendeels is ontleend aan internetbronnen, die onderling nogal afwijkend kunnen zijn in de taxonomische indeling.

Zo bestaan genoemde families taxonomisch uit verschillende ‘Genera’ (Ook wel ‘Geslachten’ genoemd, wat dan staat voor ‘Afstammelingen’). Ook in het Engels wordt het woord Genera in de taxonomie gebruikt, wat in zekere zin dichter bij de betekenis ligt dan ‘Geslachten’, omdat het de soorten zijn die -naar men vermoed- uit de oerfamilies zijn ge-Genereerd. Daarom hanteren wij hier het woord Genera consequent.

Een Conifeer familie kan derhalve één genus of meer genera herbergen. En een genus kan weer één of meer soorten bevatten. En een soort kan ook nog weer uit verschillende variëteiten bestaan, waaronder vele Cultivars (genetisch gemanipuleerde varianten). Nou zie jij door alle de bomen het bos dan nog?

Benoeming?
Om dit nog weer even te toetsen aan een voorbeeld, een Den en Spar behoren tot de Orde der ‘Pinales’, en de Den specifiek tot de ‘Pinaceae’ Familie. Maar alle Sparsoorten behoren tot de Picaceae Familie.

Het woord Den wordt soms in het Nederlands dus gebruikt voor zowel een aanduiding voor de Orde ‘Pinales’ als voor de Dennen Families ‘Pinaceae’. Wel handig om even te weten. Wellicht is het een optie om de Orde der Pinales ook te omschrijven als de Orde der Coniferales? In dat voorbeeld beiden dus met de betekenis van de alles omvattende paraplu van alle Coniferenfamilies (onderverdeeld in zo’n 600 soorten).

Het kan nóg uitgebreider, omdat in de volksmond bomen en planten soms anders worden benoemd dan dat ze in de plantkunde of wetenschap worden aangeduid. Ook zijn er onder deskundigen soms verschillende opvattingen over de indeling en benoeming.

Nomenclatuur
Voor de wetenschap geldt de ‘nomenclatuur’, waarbij op systematische wijze de namen eenduidig worden weergegeven. Zo begint de naam van een soort altijd met de naam van het genus (oftewel de geslachtsnaam), welke standaard begint met een hoofdletter. Het tweede deel van de benaming duidt dan op de specifieke soort. Dat is het ‘epitheton’, een woord wat uit het Grieks stamt en ‘erbij geplaatst’ betekent. Dat wordt dan volgens de regels met kleine letters geschreven.

Echter, je zou deze tweede naam ook met een hoofdletter kunnen schrijven, aangezien het vaak de specifieke aanduiding van de originele soort betreft, en een zelfstandige eenheid is. Soms geeft de tweede naam aan waar de soort vandaan komt, zoals we vaker terug zien in de vroegere Latijnse benoemingen, bijvoorbeeld ‘Pinus Siberica’. Deze Den komt dus van oorsprong uit Siberië.

Veel Cultivars hebben doorgaans een derde naam. Zo kan een boom worden gekweekt op kleur, bijvoorbeeld bij de Grove Den ‘Pinus Sylvestris Glauca’. Het Glauca staat dan voor de blauwgrijze kleur. En misschien is deze boom wel ‘Grove Den’ genoemd omdat het er als cultivar zijnde, in schoonheid niet op is vooruit gegaan.

Deze Grove Dennen worden soms maar 15 meter hoog, krijgen op volwassen leeftijd een afbladderende bast waaronder soms oranje gekleurd hout zichtbaar wordt, en blijven infertiel. Misschien is het niet zinvol om deze bomen te planten, aangezien ze door de genetische verzwakking op de lange termijn niet kunnen genereren. De kegelgroei kan afgezwakt zijn en geven minder pollen vrij. Het leidt dan ook tot een achteruitgang van de habitat voor mensen en dieren.

Met betrekking tot de terminologie is het in deze artikelenreeks de bedoeling informatie eenvoudig te presenteren. Een en ander is voor leken niet altijd zo eenvoudig om te achterhalen, en ook niet om de originele soorten te vinden, aangezien in veel landen oerbossen nagenoeg verdwenen zijn.

Geschiedkundig
Derhalve worden in deze artikelenreeks bij voorkeur de Latijnse of Griekse benamingen genoemd, die zijn  opgenomen in de taxonomische wetenschap, welke doorgaans is gebaseerd op kenmerken van de familie, genus en soort. Deze geschiedkundige benaming is vaak accurater dan hedendaagse verzonnen namen. Denk even aan merkwaardige Nederlandstalige verbasteringen zoals: ‘treurwilg’, ‘apenbroodboom’, ‘slangenboom’ of ‘levensboom’. Dat zijn doorgaans benoemingen van Cultivars die kunnen zijn gebaseerd op een (al dan niet verzonnen) historische gebeurtenis, of die (al dan niet) een verzinsel uit de volksmond zijn.

Het kan echter ook komen door een slechte vertaling. Zo is een Denneboom ook wel omschreven als een ‘Pijnboom’ en de zaden ervan als ‘Pijnboompitten’, waarvan mensen meestal denken dat het de een of andere exotische boom is afkomstig uit Afrika of het Braziliaanse oerwoud. Maar de benaming van zowel de boom als de pitten, is in beide gevallen afgeleid van de Engelse benoeming van Den, met het woord ‘Pine’. Zo klinken ‘Pine’ en ‘Pijn’ fonetisch nagenoeg hetzelfde.

De ‘ij’ en ‘i’ zijn hier een zogenaamde ‘diphthong’ of ’tweeklank’. Dit wil zeggen dat verschillende letters, in het bijzonder de klinkers, dezelfde klank kunnen hebben in een ander onderling verband. Dat hangt af van de plaatsing in de zin, of is in het voorbeeld van de Den, onjuist afgeleid van een andere taal.

Zo zouden de zaden van de Den, logischerwijs Dennezaden kunnen worden genoemd, in plaats van ‘Pijnboompitten’. De eetbare varianten van de verschillende soorten Dennezaden kunnen ook worden omschreven als ‘Denne-nootjes’, net zoals ‘Beukenootjes’ die qua formaat zelfs nog kleiner zijn.

Ook is het nog even de vraag waar de toevoeging ‘pitten’ vandaan komt in de benoeming ‘Pijnboompitten’. Want het kenmerk van een pit is doorgaans dat het een groter- en vaak enkelvoudig zaad betreft in fruit, zoals een abrikozenpit of avocadopit of als kleinere variant de kersenpit, dus één pit in een vrucht. In een gerijpte Dennekegel bevinden zich echter tientallen kleine zaden.

De Ceder familie (Cedrus).
Volgens internetbronnen bestaat de Cederfamilie uit zo’n 4 genera die alle uit één enkele soort bestaan:
De Atlas Ceder (Cedrus Atlantica), Cyprus Cedar (Cedrus Brevifolia), Himalaya Ceder (Cedrus Deodara), Libanon Ceder (Cedrus Libani). De bomen groeien meestal hoger in bergachtige gebieden in de Himalaya, west Syrië, Turkije, Cyprus, Algerije, Marocco, Libanon, America, Japan en Australië.

Maar ook in Nederland groeien Cederbomen goed, zelfs aan de westkust, oftewel ‘de lage landen’, en zelfs nog beneden zeeniveau, dus het kan verkeren. De bomen kunnen onder ideale omstandigheden zo’n 50 meter hoog worden! De Ceder heeft kort smalblad, van zo’n 1½ tot 2 cm, wat in bundels stergewijs bijeen staat op de takken en twijgen.

In Amerika heten veel Cypressoorten ‘Cedars’, zoals ‘Mountain Cedar’ en ‘Yellow Cedar’, terwijl deze ook in Amerika taxonomisch tot de Cypres familie behoren. Dit is dus niet echt logisch, maar wel belangrijk om te weten.
Misschien dient hier en daar het type boom anders ingedeeld of benoemd te worden?

Zo wordt ook in het Russisch de Siberische Den ‘Kedre’ genoemd, en in het Albanees (en Arabisch) ‘Kedri’. Dit is in vertalingen aangezien voor ‘Ceder’, terwijl het om een Denneboom gaat. In oud Grieks is Ceder, ‘Ké’dros’, wat staat voor harsachtige bomen met geurig hout, en daar is wellicht de naam in meerdere talen dus van afgeleid. Het Griekse ‘Kedrostos’ of ‘Kédrou’ betekent ‘gemaakt van Ceder hout’, zoals een ‘cederhouten tafel’.

Misschien is het Nederlandse woord ‘Kegel’ daar ook van afkomstig, aangezien alle Coniferen kegeldragend zijn, en ook een spits toelopend bladerdak hebben in kegelvorm, wat kenmerkend is voor Coniferen en je niet terug ziet bij andere boomsoorten.

Het Nederlandse woord ‘Kegel’, is in het Engels ‘Cone’, in het Grieks ‘Kónos’ (κώνος) en in het Latijn ‘Conc’. Dus ook bij dit woord zien we de C en K verwisseld, zien we Ke en Co, net als bij Ke van Kedre en Ce van Ceder of Cedar. Het zou maar zo gerelateerd kunnen zijn, vooral omdat alle Conifeer soorten tot de Orde der Dennen (Pinales) worden gerekend (dus niet alleen de Dennenfamilie), terwijl de soorten onderling nogal kunnen verschillen.

In de houthandel werd Cederhout als naam gebruikt voor verschillende naaldhoutsoorten (oftewel Conifeer houtsoorten). En dat zelfde staat ook bij Den: ‘Naam van verschillende soorten van naaldbomen (Lat. Pi’nus): -gevolgd door het spreekwoord- ‘zo slank als een den’, zeer slank.’

Even verder, op dezelfde bladzijde staat ‘Dendro’, wat is afgeleid van het Griekse ‘Den’dron’, wat ‘boom’ betekent. En ‘dendrografie’ is de boombeschrijvingskunde, onderdeel van de botanie dat zich bezig houdt met de studie van bomen en struiken. (Denk ook even aan ‘Rhodondendron’, een heester met grote bloemen, het oud Griekse Rhódon  = Roos, dus het woord in z’n geheel betekent ‘Rozenboom’.)

In Het Koenen handwoordenboek der Nederlandse taal uit 1974 (8e oplage van de 27e druk in 1981, eerste druk 1897) staat bij Ceder het volgende: Ceder m -s, -en, (Gr. ke’dros) grote naaldboom, o.a. op de Libanon: (bijb. Ps. 29, 5) de stem des Heren breekt de cederen; ja de Here verbreekt de cederen van Libanon; ce’deren bn. van cederhout.’

Dit heeft mogelijk te maken met de bouw van grote tempels en gebouwen in verloren gegane tijden. Dus ja, dat even over de glorieuze en majestueuze Ceders van weleer.

Voorts staat er:
‘Cede’ren -deerde, h geedeerd (Lat. ce’dere) 1) afstaan, overdragen; 2) zwichten.’ En:

‘Ce’derhout o hout van de ceder; in de houthandel als coll. voor verschillende naaldhoutsoorten; -olie v(m) olie van sommige ceders, voor parfumerie en balseming gebruikt.’

In het LONGMAN Contemporary English wordt ‘Ceder’ echter beschreven als een grote altijd groene boom met rood gekleurd hardhout: ‘Cedar – a tall evergreen tree, also cedar wood, the hard reddish sweet smelling wood of this tree used for making pencils, decorative boxes, furniture, etc.’, waaruit wij zouden kunnen opmaken dat dit inderdaad een ander type boom is dan de Denneboom of Pine tree van de Dennenfamilie.

De Cypressen familie (Cupressaceae).
Een aantal bomen uit deze groep Cypres Coniferen zoals de Thuja soorten, worden ook wel tuinconiferen genoemd omdat ze een uitwaaierend blad hebben met een zachte textuur, en groenblijvend zijn, en dus alle seizoenen mooi staan in tuinhagen. De originele soorten worden echter hoog en zijn niet geschikt voor lage hagen. De kunst is dan ook, om de talrijke gecultiveerde soorten te onderscheiden van de echte Cypres soorten.

Wellicht behoren de volgende Cypressen hiertoe: de Thuja Occidentalis (Westerse levensboom – 15 meter hoog), de Thuja Occidentalis of Platycladus Orientali (Oosterse levensboom), de Thuja Plicata (Reuze Levensboom – 60 meter hoog, in het Amerikaans ‘Western Red Cedar’), de Italiaanse Cypres (Cupressus Sempervirens), de Californische Cypres (Cupressus Chamaecyparis Lawsoniana, naar men zegt ook van nature voorkomend in Oregon) en de Japanse Hiba Cypres (Thujopsis Dolobrata, Hiba Arborvitae). Al deze bomen hebben Conifeer Bladloof.

De Jeneverbes (Juniperus Communis) is een uitzondering in deze Cypres familie, en is wellicht niet zo taxo-logish ingedeeld. Het heeft scherp gepunt smalloof wat pluksgewijs rondom de takken groeit. Het is een boom of heester van 10 meter hoog en is tweehuizig. Het is een windbloeier die elk jaar kleine witte katjes te zien geeft, welke kleine zwarte tot donkerblauwe/paarse bessen produceren met een kegelstructuur (strobili). De lijster (vogel) eet de blauwpaarse bessen en verspreidt zo de zaden.

De mens gebruikt de bes als specerij in kleine hoeveelheden, want deze is bitter van smaak. Voorts wordt de bes gebruikt voor de vervaardiging van alcoholische drank en voor medicinale toepassingen. De Jeneverbes komt van nature voor in Europa en kent een groot verspreidingsgebied wereldwijd: vanaf de poolcirkel tot in de subtropische gebieden, alsmede Azië en Canada.

De Dennen familie (Pinaceae).
Van de Dennen familie bestaan wereldwijd zo’n 111 soorten. Alle Dennesoorten hebben middellang tot lang smalloof van zo’n 7 cm tot 20 cm, wat in bundels pluksgewijs op de twijgen of korte loten is gegroepeerd, in clusters van 2, 3 of 5 lange smalbladeren. Bekende Dennebomen zijn:
De Alpen Den (Pinus Cembra), de Siberische Den (Pinus Sibirica), Gewone Den, bijgenaamd ‘Grove Den’ (Pinus Sylvestris), ook wel ‘Common Pine’ in Engeland en Schotland) en ‘Scotch Pine’ in Amerika.

Van nature voorkomende Dennen in het oosten van Noord Amerika zijn de Witte Den uit het oosten, ‘Eastern White Pine’ (Pinus Strobus), deze heeft lange smalbladeren (17 cm) in bundels. Elke bundel bevat clusters bestaande uit 5 smalbladeren. De Rode Den, ‘Red Pine’ (Pinus Resinosa), heeft lange smalbladeren 17 cm, en Jack Den, ‘Jack Pine’ (Pinus Banksiana), heeft korte smalbladeren in bundels van 2, welke een V vormen.

De vrouwkegels liggen langs de tak, en wijzen vanaf de stam gezien met de punt naar buiten. De Grove Den, ‘Scotch Pine’ (Pinus Sylvestris), heeft middelgrote smalbladeren (7 cm). Deze staan in bundels van twee, die aan het uiteinde licht om elkaar heen draaien. Het schors van de stam bovenin de boom laat vaak los, waaronder -zoals reeds eerder vermeld- een oranje kleur van de houtlaag onder de schors te zien is.

De kegels aan de takken van deze boom zijn met de punt gericht naar de stam. Dit is onlogisch in het kader van bestuiving door de wind. Wellicht betreft het derhalve een cultivar die een aantal decennia geleden grootschalig is aangeplant vanwege de eventuele speciaal daarvoor gecultiveerde snelle groei bestemd voor houtproductie.

De Sparren familie (Picaceae)
De Sparren familie omvat zo’n 5 genera en ongeveer 35 soorten. Bekende hiervan zijn: de Fijnspar (Picea Abies, die wij kennen als kerstboom), de Blauw Spar (Picea Pungens), de Servische Spar (Picea Omorika), de Kaukasische Spar (Picea Orientalis), de Sitka Spar (Picea Sitchensis), en de Siberische Spar (Picea Obovata).

De Spar heeft kort smalblad van 1 cm tot 2½ cm, wat evenredig en los verspreid aan de takken of twijgen groeit. Het smalblad kan zowel hard als zacht zijn, de diameter afgeplat of rond, het uiteinde scherp spits gepunt of rond aflopend.

Zowel de Douglas Spar (2 variëteiten: Pseudotsuga Menziesii en -Glauca) en Hemlock Spar (Tsuga) genera met 9 soorten, hebben bijvoorbeeld afhangende takken, met buigzaam plat gevormd smalloof met witte strepen aan de onderkant, en een rond uiteinde. De Douglas Spar, in Amerika genoemd de ‘Coast Douglas Fir’ en de ‘Rocky Mountain Douglas Fir’, is veel in Nederlandse bossen aangeplant. De Hemlock Spar in Noord Amerika en Azië, en wordt eveneens aangeplant voor timmerhout in Europa, Nieuw-Zeeland en Zuid-Amerika. Sparren kunnen een hoogte bereiken van 30 tot 50 meter, de hoogte verschilt per soort.

De Lariks Familie (Larix)
De Europese Larix of Lork (Larix Decidua) en de Japanse Larix (Larix Kaempferi), verliezen beide in herfst en winter het smalloof, dat stervormig pluksgewijs is gegroepeerd op de takken. De Lariks is een boom van hooggebergten en van de noordelijke streken van Europa, maar ook in Canada, Siberië, de Himalaya, Zuid-West China als in Japan komen grote Lariksbossen voor. In Nederland past de boom zich minder goed aan, alhoewel er in Drenthe een Larixbos is aangeplant.

De Taxus Familie (Taxaceae).
Taccus Baccata is de enige soort in deze familie (In het Engels ‘Yew Family’), en groeit ook in Nederland. Het zijn kleine boomheesters die uitgroeien met meerdere stammen en zo’n 4 meter hoog worden. Kenmerkend is het donkergroene smalblad wat plat gevormd is, en de rode kegelvormige bessen. Het zaad in de bessen is voor mensen giftig, daarom deze bessen dus niet nuttigen. Naar men zegt eten de vogels er wel van en verdragen het goed (zij zouden het zaad niet verteren welke in ongeschonden vorm derhalve het lichaam verlaat via de ontlasting).

Taxus Baccata is tweehuizig. Er zijn ongeveer 5 bijna identieke genera, met nagenoeg alleen een geografisch verschil, waarvan zo’n 10 soorten. De soort is ook gecultiveerd. Taxus Brevifolia (Noord-Amerika) en Taxus Wallichiana (China en Japan) en Taxus Globosa (Mexico) worden (volgens bepaalde internetbronnen) met uitsterven bedreigd.

De Uitheemse Families
De op internet gevonden benoemingen van Uitheemse Conifeer families komen dus van nature in Nederland niet voor. Dat zijn de Araucariaceae (41 oude soorten in drie genera: Agathis, Araucaria, Wollemia), Podocarpaceae (200- soorten, zo’n 15 genera, bladloof), Sciadopityaceae (1 geslacht, 1 soort: Japanse parasolden) en Cephalotaxaceae (Knoptaxus, kleine bomen en struiken).

© 2019 | Margreet Wilschut
www.margreetotto.net

*******

Klik op een link voor het vorige of volgende deel:
CONIFEREN 1 – INTRODUCTIE
CONIFEREN 2 – FUNCTIE EN NUT
CONIFEREN 3 – BLAD EN LOOF
CONIFEREN 4 – KEGELS EN STROBILI
CONIFEREN 5 – FAMILIES
Lees verder:
CONIFEREN 6 – KWEKEN
CONIFEREN 7 – KIEMEN